![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
![]()
Meidagen van 1940 - Tentoonstelling op Trip van Zoudtlandtkazerne -
Beelden De Vlucht leven vooral in de herinnering
door Leo Nierse
UIT: dagblad BN/DeStem, editie Breda – 15 april 2010.
In mei is het 70 jaar geleden dat Breda massaal moest evacueren. Door gebrek aan tastbare aandenkens is het stadsdrama straks minder goed invoelbaar voor jongere generaties Bredanaars.
Het
is nu of nooit meer, want - het probleem is bekend- van de evacuatie van de
Bredase bevolking in de meidagen van 1940 bestaat nauwelijks beeldmateriaal. De
massale ontheemding, ontreddering en erger heeft een complete generatie
stadgenoten getekend, maar het leeuwendeel van de talloze beelden van De Vlucht
spookt slechts rond in de herinnering van de nu alleroudste Bredanaars. Mét die
nu snel uitstervende generatie, verdwijnen ook die eigentijdse beelden uit het
collectieve stadsgeheugen. Daar zal tastbaar authentiek materiaal voor in de
plaats moeten komen, willen latere generaties zich nog een accuraat beeld van
die dramatische gebeurtenissen kunnen vormen.
Het Generaal Maczekmuseum in Breda is daarom bezig met het verzamelen daarvan.
"Want nu kan het nog", zegt museumhistoricus Peter Haagh, die tegen diezelfde
beperking is opgelopen. Ter gelegenheid van 70 jaar De Vlucht, stelt hij een
expositie samen die op eerste pinksterdag - 23 mei - opengaat en minstens een
jaar zal lopen. De tentoonstelling wordt dezer weken ingericht op de Trip van
Zoudtlandtkazerne, waar Defensie een aparte ruimte ter beschikking heeft
gesteld, op loopafstand van de permanente museumzaal. "Foto's, dagboeken,
gedichten, souvenirs, trouwboekjes, reisdocumenten - alles is welkom", zegt
Haagh, die beeldmateriaal en authentieke voorwerpen in eigendom of bruikleen
heeft verworven. "We willen De Vlucht zo compleet mogelijk in beeld brengen, dus
tot en met de terugkeer van de laatste evacués in oktober 1940."
Haagh is bereikbaar op telefoonnummer 06-51563983 en per e-mail via:
peter.haagh@nl.netgrs.com



Terheijdenstraat werd vóór De Vlucht
onafgebroken gebombardeerd’
Het verhaal van lezeres Ides Claasen
Uit Bredase Bode 07-04-2010
BREDA - “Vóór de Vlucht werd de Terheijdenstraat door de Duitsers vanuit de lucht onder handen genomen. Wij schuilden in de kelder van de brouwerij. Na iedere bom die viel vloog er een enorme stofwolk de schuilkelder in”, vertelt mevrouw Ides Claasen.
Door Rinie Maas
Haar
vader en moeder namen de Vluchtroute Breda- Achtmaal dat 15.000 Bredanaars in
haar burgermanswoningen, boerderijen en schuren opnam. De vraag komt op of Breda
hiervoor ooit wel eens een teken van erkentelijkheid heeft geschonken? Hetzelfde
geldt voor Hoogstraten.
De toestroom aldaar was zo overweldigend dat het leek alsof in deze gemeente geen plekje meer onbezet was. Bij de ingang van winkels, in de school, in de kerk, op het begijnhof, ja zelfs vóór het kerkhof werd, volgens ooggetuigen, overnacht. Deze tweede ongelukkige vluchtlijn nam haar tante. Van Hoogstraten ging het door naar St. Niklaas. “Ze zijn daar overleden door het bombardement”.
Grote consternatie
Hoe was het in de dagen vóór de Vlucht in Breda? Ides Claasens wijst erop dat die periode evengoed door de oorlog werd gemarkeerd. “Na de huishoudschool werkte ik als dienstmeisje bij dr. Swaab, een Joodse familie in de Koningin Emmalaan. Ons ouderlijk huis stond aan de Teteringsedijk.
In de nacht van 9 op 10 mei was het al te gevaarlijk om naar huis te fietsen. Op de 10e mei, vroeg in de morgen, vielen de eerste bommen in de Dillenburgstraat/hoek Ginnekenweg. Ik sliep op zolder bij de familie bij wie ik in betrekking was.
Al de potjes voor de inmaak vlogen rond mijn oren.
De consternatie was groot. De schrik zat er bij iedereen goed in. En dit wat mijn eerste vlucht: gauw naar huis. Een veilig gevoel wachtte mij daar evenmin. Er vielen weer bommen en twee villa’s werden getroffen”.
In lichterlaaie
Haar vader en moeder en hun drie kinderen zijn, op zoek naar veiligheid, naar de brouwerij gegaan. “Onder het kantoor was daar een prachtige schuilkelder”, vertelt Ides Claasen.
“Het personeel mocht daar schuilen”. Juist daar hebben de Duitsers vanuit de lucht huisgehouden. Ook andere lezers vinden het vreemd dat juist deze hoek van Breda zo onder vuur heeft gelegen.
Met welke reden? Met name de Terheijdenstraat was het doelwit en, volgens ooggetuigen, zou daar Frans geschut hebben gestaan in een poort dat door Duitse vliegeniers is opgemerkt en vernietigd. Dat gebeurde grondig.
Ides Claasen: “Iedere keer als er een bom viel stortte huizen in en drong een stofwolk de schuilkelder binnen. Ze zegt dat de hele Terheijdenstraat in lichterlaaie stond. “Nog geen 50 brandweerauto’s hadden die straatbrand kunnen blussen”.
De St. Jozefschool zakte deels in elkaar aan de kopse kant. En het patronaat brandde van binnen uit. Brouwerij en kerk bleven gespaard.
Terug naar Breda
Waarom niet gewoon thuisgebleven, zoals de enkelingen, die in een luie stoel de eerste oorlogsdagen in Breda overleefden? “Wie is er destijds vanwege de oorlog die op komst was niet gevlucht?”, antwoordt mevrouw Claasen retorisch. “Bijna iedereen. Het gezag dat van bovenaf kwam en van de burgemeester was groot. Na al die proclamaties was het iedereen duidelijk dat het niet anders kon”. Wat ging aan die Vlucht voor de naderende Duitsers vooraf? Ides Claasen was 15 jaar. Voor de oorlog gingen in Breda de meisjes naar de huishoudschool op de Boeimeersingel en naar de r.k. huishoudschool in de Nieuwstraat. Als ze hiervoor kozen en dat deden ze in groten getale. Na véél ellende onderweg kwam Ides met haar ouders in Achtmaal terecht. Terug naar Breda in enkele dagen.
Traumatisch
De Vlucht is een collectief drama tot de dag van vandaag. De film hierover tijdens de uitzending bij de televisierubriek Andere Tijden heeft tal van lezers van de Bredase Bode geïrriteerd.
Wij kregen daarover véél brieven en wij hebben die doorgezonden naar Caroline Brugsma, de redacteur die ons in de arm nam om de Vlucht te onderzoeken. Ides Claasen: “Vorig jaar zag ik de film over de Vlucht en jammer genoeg werd die gedomineerd door het verhaal Bouvigne. Twee dames van 77 jaar waren alsmaar aan het woord. De feiten zijn dat zij veilig op een internaat zaten om voor dienstbode of de huishouding te leren. Van wat in Breda gebeurde wisten ze niets. Ze waren toen ook pas negen jaar. “Wat in Sint Niklaas is gebeurd is niet in woorden te vatten”, zegt Ides. “Het was daar traumatisch.”
![]()
DE VLUCHT VAN BREDA
Bron o.a. intermedia 4 mei 1990
De sleutelfiguur in de voor Breda rampzalige evacuatieorder van 12 Mei1940 was een voormalig officier van de Generale Staf en leraar aan de hogere krijgsschool. Na de wapenoverval door de bende van de Venezolaanse avonturier Urbina op fort Amsterdam in Willemstad , werd hij benoemd tot gouverneur van Curaçao om als “Militair par Excellence” orde op zaken te stellen. Zijn naam? Van Slobbe. Vanaf 1936 was hij burgemeester van de garnizoensstad Breda. Op de dag dat Nederland mobiliseerde, stuurde het departement van defensie alle gemeenten een “Voorschrift Afvoer Burgerbevolking”, met vermelding van gebieden waar zware gevechten zouden kunnen worden verwacht en gebieden die geïnundeerd zouden kunnen worden. Breda kwam in het geheel niet voor op de lijsten van de met de uitvoering belaste Commissie Afvoer Burgerbevolking” In artikel 9 was ruimte geschapen voor initiatieven van burgemeesters op voorwaarde dat dit altijd in overleg met de belaste autoriteit van het Algemene Militair Gezag zou gebeuren. Het “Organisatie talent” van Slobbe schreef al in November 1939 een brief aan de met de uitoefening van het militair gezag over Breda belaste Commandant van het Derde Legerkorps, waarin hij een akkoord vroeg met zijn voornemen een evacuatie voor te bereiden. Het cruciale antwoord op deze brief bleek in het geheim archief opgeslagen: de Commandant A.A.. van Nijnatten antwoordde op 1 December dat het “geenszins in de bedoeling ligt de stad Breda te ontruimen”, en raadde dan ook af om verdere voorbereidingen ter hand te nemen. Desondanks ging van Slobbe vastberaden door met het onderzoeken van de mogelijkheden die het opzetten van een evacuatieplan in de gemeente Breda zouden rechtvaardigen. Hij smeedde de Bredase Vrijwillige Burgerwacht om tot een hechte organisatie, die hij prompt inschakelde bij de voorbereidingen van zijn plannen. Deze club was in 1918 opgericht om “sociale woelingen” te onderdrukken en fungeerde als een soort hulppolitie. Nadat het ministerie van Binnenlandse Zaken lucht had gekregen van de Bredase ontruimingsplannen voelde de secretaris - generaal zich genoodzaakt om alsnog op 31 Januari 1940 van Slobbe terug te fluiten door erop te wijzen DAT BREDA GEEN VLUCHTGEMEENTE WAS. Ook reageerde de bewindsman afwijzend op een in de NRC van 6 Januari 1940 verschenen artikel waarin te lezen viel dat van Slobbe op een propagandabijeenkomst van de BVB over “Evacuatiepakketten” had gesproken. De burgemeester ging gewoon door met het treffen van regelingen zoals de noodvestiging voor zieken,gas en licht , loslopend vee, vluchtroutes etc.
Nederland was niet helemaal onvoorbereid toen de Duitsers op 10 Mei 1940 binnenvielen: een geheim verdedigingsplan trad in werking. De volgende dag trokken 20.000 Franse militairen naar Brabant. Van Slobbe zag zijn kans schoon en besloot op de avond van 11 Mei 1940 tot evacuatie van de stad. Volgens de officiële geschiedschrijving op Frans bevel. Een grove leugen, zoals later bleek. Besloten was dat men in de vroege ochtend zou vertrekken te voet uiteraard en in 2 colonnes van elk 25000 Bredanaars. Het doel was Antwerpen. De ene groep liep over de oude rijksweg richting Zundert. De andere stoet probeerde langs de straatweg door Ginneken en langs Hoogstraten de havenstad te bereiken. Op basis van het gemeentelijk plan zou men onder leiding van daartoe aangestelde in groepen van ongeveer duizend man de tocht aanvaarden. De stadscommissaris Meeùs die de groep Zundert onder zijn hoede had toonde nog enig overzicht. Hij begreep dat de Fransen geen vluchtende stad konden verdedigen en stopte na een dag. De helft van de Bredase bevolking kon met mooi weer bekomen van de schrik. De volgende dag trokken de Duitsers Zundert binnen en werd duidelijk dat het front de vluchtelingen had gepasseerd. In overleg met de Duitse commandant in Breda konden de meesten van de Zundertgroep naar huis terugkeren. Voor de mensen, die langs Hoogstraten liepen had de tocht een dramatischer verloop. Zij kwamen midden in de snel verschuivende frontlinie te liggen en de lange stoet viel in stuurloze groepjes uiteen. Ieder dorp dat zij passeerden, werd door het vluchtvirus aangestoken en de stroom vluchtelingen groeide gestaag en werd daardoor trager. Toch bereikten de meesten ondanks de onder vuur liggende Belgische stellingen de stad Antwerpen. Een plaquette in het stadhuis herinnert nog aan de gedenkwaardige overnachting van de 20000 Bredase vluchtelingen. De volgende morgen vroeg ging het verder in de richting Gent. Eten moest je zelf maar bij elkaar zien te scharrelen; onderdak vond men in scholen, bij boeren in de hooiberg of in kloosters die gelukkig ruimschoots aanwezig waren. De Duitse opmars ging gestadig voort en de vluchtelingen werden hierdoor steeds verder opgejaagd. In een schoolgebouw in de Belgische plaats St, Niklaas had een groep onderdak gevonden. Bij een Duitse luchtaanval, werd de school getroffen, vonden er 51 Bredanaars de dood; tallozen werden gewond… Intussen was men niet op de hoogte van het feit dat de strijd thuis, zo die gevoerd was, al voorbij was. De schrik voor de Duitsers zat er bij sommigen zo diep in dat zij tot ver in Frankrijk terechtkwamen, enkelen via in Zuid Afrika. Eind 1940 was van ongeveer 100 Bredanaars niet bekend waar zij waren gebleven. Later bleek dat een groot aantal van hen tijdens de tocht was omgekomen.
Na een aantal verhuizingen vanuit Leiden, waar ik geboren ben, woonde ik sinds 1936 in ‘t Ginneken, een dorpje bij Breda, dat later in 1942 aan deze stad werd toegevoegd.
Mijn vader was in 1934 plotseling overleden en ons gezin bestond dus uit Moeder en vijf kinderen, waarvan ik de middelste was. Mijn, op een na oudste broer, was op jonge leeftijd getroffen door kinderverlamming, was voor de zoveelste keer in Leiden geopereerd aan rug en benen en lag van hals tot de enkels in het gips op het moment dat dit verhaal begint. Hij lag op een hoog bed in de voorkamer, zodat hij gemakkelijker kon verzorgd worden en beter contact met de buitenwereld had.
In de nacht van 10 mei 1940 (ik zou de volgende maand 13 jaar worden) werden we opgeschrikt door een bomexplosie. Het ding was op nog geen honderd meter van ons huis ontploft. In een klap waren alle ruiten aan de voorkant van ons huis en alle andere huizen in de buurt aan diggelen. Onze kennismaking met de oorlog.
De bom was bedoeld geweest voor een nabijgelegen kruispunt, waarlangs Fransen troepen werden verwacht, maar kwam terecht op de straat voor een bakkerij; de voorgevel van de winkel werd eruit geslagen en de bakker met zijn vrouw gleden met ledikant en al ongedeerd op de stoep. In onze paniek moesten we er toch om lachen.
De volgende morgen, Pinksterdag 12 mei kwam met geluidswagens het bericht dat Breda zou worden verdedigd en dat de bevolking moest evacueren naar België. Daar zaten we dan meteen in de problemen,want je broer achterlaten deed je natuurlijk niet en hem meenemen op de vlucht ging dus ook niet.Toen practisch iedereen uit de straat vertrokken was lukte het mijn moeder om een kleine vrachtwagen te charteren met chauffeur.
Als eerste werd met vereende krachten en door het kapotte raam mijn broer met matras en al in de auto geladen, daarna wat kleding, zoveel mogelijk etenswaren en daar ging het richting Hoogstraten ten zuiden van Breda.
Helaas had de chauffeur, kennelijk in paniek, vergeten te tanken, zodat even buiten Hoogstraten de motor stilviel. Daar stonden we te midden van grote groepen Franse en Belgische soldaten die bezig waren zich in te graven. De meeste vluchtelingen waren toen al verder getrokken richting Antwerpen.
De chauffeur vertrok,nadat hij geld voor benzine aan mijn moeder had gevraagd, en hebben hem nooit meer terug gezien.
Een Franse officier gaf ons te kennen dat het hier veel te gevaarlijk was en dat we zo gauw mogelijk door moesten gaan, maar toen wij hem de situatie uitlegden ging hij met een paar soldaten een nabijgelegen boerderij binnen en kwam terug met een platte bakfiets. Met hulp van de soldaten werd mijn broer, weer met matras en al op de bakfiets gelegd en vertrokken wij richting Antwerpen.Hoe vaak we onderweg gegeten en geslapen hebben en waar weet ik niet meer precies. Toen we halverwege Antwerpen gevorderd waren kwamen we langs een boerderij, de boerin wenkte ons om binnen te komen. Moe als we waren gingen we graag naar binnen en werden onthaald op gebraden duiven. De arme boer had al zijn postduiven op bevel van hogerhand moeten afmaken en kon het niet opbrengen ze ook op te eten. We bleven er slapen en bereikten de volgende dag een voorstadje van Antwerpen. De hele weg tot het centrum was een grote zee van vluchtelingen, die allemaal een heenkomen zochten. Een pandemonium van huilende kinderen, schreeuwende moeders en vaders, die het ook niet meer wisten.
Wij met onze bakfiets werden opgemerkt door mensen van het Rode Kruis, die hun best deden de narigheid van de massa te verlichten met koffie en brood, en werden gedirigeerd naar een ziekenhuis. Daar werd mijn broer ter verdere verpleging opgenomen en moesten wij hem achterlaten.
Wij trokken- met de bakfiets – waarop we nu om beurten mochten rusten verder richting St. Niklaas.Dat was de richting waarheen de meeste vluchtelingen trokken, dus toen we daar eindelijk aankwamen was het stadje zo vol dat we nergens terecht konden., Dan maar weer verder in de richting Gent langs smalle wegen die regelmatig werden bestookt door Duitse vliegtuigen. Toch was het feit, dat wij niet in St. Niklaas konden overnachten achteraf een geluk, omdat die nacht stadje werd gebombardeerd, waarbij onder de vluchtelingen veel slachtoffers vielen.
Op een gegeven moment besloten wij af te wijken van de door de meeste vluchtelingen genomen route naar Gent om te ontkomen aan de luchtaanvallen.
Wij namen een zijpad zonder te weten waar we zouden uitkomen en gelukkig was dat een goed besluit, want na een dag met de bakfiets zeulen kwamen we bij een nonnenklooster terecht, waar we liefdevol werden opgenomen, goed te eten kregen en eindelijk onze kleren konden wassen. We sliepen – wat een luxe – in echte bedden met frisse lakens en Moeder zei : Hier blijven we, wat er verder ook gebeurt.
Na twee dagen en nachten hoorden we geronk van motorfietsen……de Duitsers hadden ons ingehaald. Kennelijk waren ze goed op de hoogte van het bestaan van het klooster en dus kwamen ze met een kleine bezettingsmacht het kwartier opeisen. Er werd een veldkeuken opgesteld- door paarden getrokken! En moeder overste werd verteld dat ze ruimte moest maken.
Tot mijn verwondering waren de soldaten geen jonge knapen, maar oudere mannen, die bovendien heel aardig waren. Wel moesten ook wij zo snel mogelijk weg uit het klooster en terug naar Nederland, dus daar gingen we weer met de bakfiets richting Antwerpen. Onderweg zagen we de oorlogsravage, kapotte huizen, neergeschoten vliegtuigen kapot militair materieel en hier en daar een noodgraf met een stok en een helm.
Zo bereikten we Antwerpen, waar we allereerst onze broer opzochten in het ziekenhuis. Gelukkig maakte hij het goed: zijn gipscorset zou binnen een paar weken worden verwijderd, maar daar konden wij niet op wachten.
Inmiddels hadden de Antwerpse autoriteiten een busverbinding met Breda ingesteld, waarmee we naar huis konden, met achterlating van de bakfiets.
Na 14 dagen te zijn weggeweest kwamen we weer in ons eigen huis terug, benieuwd hoe het er uit zou zien.
Nu dat viel alles mee. Onze buurman, die maar twee dagen weggeweest was had planken voor de ramen gespijkerd en er was niets uit ons huis verdwenen!
Onze broer werd 14 dagen later per ambulance thuisgebracht zodat ons gezin weer compleet was.
Tot onze verrassing werd een paar dagen later voor ons tuinhek een bakfiets geparkeerd….ONZE bakfiets!!! Omdat we geen naam noch een adres van de eigenaar hadden en we het ding dus niet konden terugsturen, gaven we het aan een bevriende kachelsmid, die er nog jarenlang plezier van heeft gehad.
Door de Duitse Blitzkrieg is men aan de verdediging van Breda niet toegekomen. Vlak nadat wij Bredanaars de stad hadden verlaten, werd het Franse leger gedwongen zich overhaast terug te trekken. De chaos werd compleet toen militairen zich onder de vluchtenden begaven en hiermee de evacués ongewild tot slachtoffers maakten van Duitse luchtaanvallen die tientallen burgerslachtoffers maakten. Keer op keer liet men tijdens een scheervlucht van de Stuka’s de strijdmiddelen op de weg staan en rende iedereen onder oorverdovend lawaai van motoren, mitrailleurvuur en geschreeuw de weilanden in. Ouders zochten in paniek beschutting in de greppels en beschermden hun huilende kinderen.
De doorbraak van de Duisters aan de Maas op 14 mei bij Sedan luidde het failliet in van het front. Mobiliteit, een superieure bevelvoering en de dominantie in de lucht vormden de basis van het eclatante succes van de Duitse Wehrmacht. Wat bij Breda al dreigde voor de daar aanwezige troepen gold nu voor de gehele geallieerde hoofdmacht. Het was erop of eronder en in België werd daarom felle strijd gevoerd om omsingeling te voorkomen. De vluchtelingen waren hiervan de dupe en werden constant door de Duitse opmars vooruit gejaagd.
Dit alles was een gevolg van een eigenwijze en ambitieuze burgemeester wiens plannen voor een evacuatie toen het erop aankwam in duigen vielen en die schaamteloos rondbazuinde, dat de Fransen het bevel tot evacuatie hadden gegeven, hetgeen beslist een onwaarheid was.
Deze burgemeester heeft nooit de consequenties getrokken van zijn wanbeleid en heeft zelf tegen het Duitse gezag gedurende de bezetting geen dissidente houding aangenomen en voerde gedwee alle omstreden verordeningen uit.
Direct na thuiskomst wezen de beschuldigende vingers van vele vluchtelingen naar de gemeentebestuurders, die de overbodige evacuatie op hun geweten hadden.
Uiteindelijk kwam de burgemeester met zijn uiteenzetting die tot op de dag van vandaag klakkeloos door de officiële geschiedschrijving is overgenomen.
Opgetekend door P. de Vries, in die tijd wonende in de Rozenlaan te Breda.
