BREDA - Ellen de Kleine heeft het
gevoel alsof ze zojuist een andere wereld is binnengestapt.
Onwennig kijkt ze om zich heen. "Het lijkt
wel het decor van een film."
Ze is zaterdagavond meegekomen met haar collega Leon Stolarz, zodat ze kennis
kan maken met een deel van zijn achtergrond. Zelf zoon van een van de soldaten
die in 1944 Breda bevrijdden van de Duitsers, is hij hier duidelijk meer in
zijn element dan zij.
Binnen in de zaal van gemeenschapshuis Vianden in het Ginneken is het feest
dan al in volle gang. De Bredase Culturele Vereniging Polonia viert er de
bevrijding.
De ruim tweehonderd gasten, voor het grootste deel Polen, zitten aan lange
tafels. Vooraan in de zaal, op een hoog podium, staat eenmansband Piotr
Martyka. De volledig in het wit gestoken Antwerpse artiest wisselt achter zijn
keyboard non-stop Poolse popliedjes af met nummers als Buena Sera van Louis
Prima en New York, New York van Frank Sinatra. Hij valt kennelijk in de smaak,
want al bij een van zijn eerste nummers wordt er door een aantal mensen
gedanst.
"Zo zijn Polen", stelt Polonia-voorzitter Ria Marijnissen. "Die kijken niet
zoals Nederlanders eerst de kat uit de boom." De Brabantse verloor haar hart
aan Polen toen haar baas, een trekhakenfabrikant uit Made, zeventien jaar
geleden een aantal Poolse werknemers aantrok. Marijnissen raakte met hen
bevriend, leerde Pools en reist nu een paar keer per jaar naar haar
vakantiehuis in het uiterste oosten van het land.
"De meesten hier hebben een connectie met de bevrijding. Er zijn kinderen van
soldaten en nog een paar oud-strijders. Maar er komen ook Polen die hier als
arbeidsimmigrant in Nederland zijn."
Alfons Raichert is een van die paar oud-soldaten die nog in staat zijn om naar
dit feest te komen. Na de bevrijding van Breda raakte hij bij Sprang-Capelle
gewond en werd overgebracht naar Engeland. Een paar jaar later keerde hij
terug en werd verliefd op een Bredase, met wie hij twee kinderen kreeg.
De eerste jaren in Nederland waren niet makkelijk. "Je denkt, we hebben voor
hen gevochten, dus je hebt hier vrienden. Maar dat viel tegen."
Het is een klacht die ook Leon Stolarz van zijn inmiddels overleden vader vaak
heeft gehoord. "Hij had het gymnasium afgemaakt, maar hier kon hij niks en
kreeg hij nauwelijks steun. Dat heeft hij zijn hele leven met zich
meegedragen."
Hoewel Stolarz ieder jaar naar het feest komt, hebben de jongere generaties
Poolse Nederlanders volgens hem een moeizame verhouding met het Poolse
cultuurgoed in Nederland. "De oude garde weigerde de sociale verbanden zoals
het verenigingsleven, over te dragen aan de jongeren. Velen van hen hebben
daardoor hun interesse verloren en zullen niet snel naar zo'n feest komen."
Voor André Skibinski is dit inderdaad niet het soort feest waar hij het liefst
naartoe gaat. Hij groeide op in Warschau en kwam 25 jaar geleden als politiek
vluchteling naar Nederland. "Natuurlijk, het is leuk. Er wordt wodka
gedronken, en we eten met z'n allen bigos. Maar wat je hier ziet, is niet het
echte Polen. Het is ook niet representatief voor de Poolse gemeenschap in
Nederland. Het is een relict, een emigranten-folklore die je moet plaatsen in
de jaren vijftig. Polen is tot de moderne tijd toegetreden, maar dat zie je
hier niet."
Ook de twee Bredase erevelden waar de Poolse soldaten zijn begraven, zijn een
bron van worsteling tussen het verleden en de moderne tijd, vertelt Jan
Roovers van Polonia. "Sommigen zouden graag zien dat alle Poolse soldaten bij
elkaar komen te liggen op één veld. Het zou de begraafplaats meer status en
aanzien geven en het levert ook veel praktische voordelen op. Maar de kwestie
ligt enorm gevoelig, dus zover is het nog lang niet."
De discussies en meningsverschillen zijn volgens Stolarz uiteindelijk toch
weer terug te voeren op de Poolse volksaard: "Polen zijn eigenwijs, er is
altijd strijd. Zet twee Polen in één kamer en je hebt drie meningen."